Home > Bedrijfsleven > Het homogeen Nederlands taalgebied

Het homogeen Nederlandse taalgebied

In het homogeen Nederlandse taalgebied geldt de taalwetgeving op het bedrijfsleven voor alle bedrijven en werkgevers, of ze nu een commerciële activiteit uitoefenen of niet. Zo goed als elke bedrijfsactiviteit en elke vorm van tewerkstelling zijn dus onderworpen aan de taalregels.





Basisbeginsel. Ondernemingen in het homogeen Nederlandse taalgebied moeten het Nederlands gebruiken voor alle schriftelijke en mondelinge communicatie met hun werknemers en voor al hun officiële documenten.





Officiële documenten zijn de documenten die van overheidswege worden verplicht, zoals de wettelijk verplichte delen van een factuur, loonfiches, arbeidscontracten, statuten of notulen van de aandeelhoudersvergadering.



Onder schriftelijke en mondelinge communicatie met de werknemers vallen bijvoorbeeld waarschuwingsborden, mededelingen en handleidingen.





Als een bedrijf veel anderstalige werknemers heeft, kan het worden verplicht om voor vertalingen te zorgen. Daarvoor is in een bijzondere procedure voorzien. De vertegenwoordigers van de werknemers in de ondernemingsraad of de vakbondsvertegenwoordigers moeten de vertaling eenparig aanvragen. De verplichting geldt voor één jaar (waarna ze kan worden vernieuwd).





Vertaling individuele arbeidsovereenkomst. Door een wijziging van artikel 5, §2 van het Septemberdecreet wordt het in een aantal gevallen mogelijk om, naast de Nederlandstalige versie van een individuele arbeidsovereenkomst, ook een versie in een andere taal, die door beide partijen begrepen wordt, op te maken.





Concreet betekent dit dat de te gebruiken taal voor de sociale betrekkingen tussen de werkgevers en de werknemers, alsmede voor de wettelijk voorgeschreven akten en bescheiden van de onder- nemingen en voor alle documenten die bestemd zijn voor het personeel, het Nederlands blijft.





Individuele arbeidsovereenkomst kunnen, naast de Nederlandstalige versie, ook een rechtsgeldige anderstalige versie krijgen indien de werknemer:



1° zijn woonplaats heeft op het grondgebied van een van de andere lidstaten van de Europese Unie of een van de lidstaten van de Europese Economische Ruimte;



2° zijn woonplaats heeft op het Belgische grondgebied en heeft gebruikgemaakt van zijn recht op vrij verkeer van werknemers of van de vrijheid van vestiging, zoals gewaarborgd door artikel 45 en 49 van het verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en door verordening (EU) nr. 492/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie;



3° onder het vrij verkeer van werknemers op grond van een internationaal of supranationaal verdrag valt.





De taal dient door alle partijen te worden begrepen en is 1° een officiële taal van de Europese Unie, of 2° een officiële taal van een van de lidstaten van de Europese Economische Ruimte maar die geen lid zijn van de Europese Unie. Bij onderscheid tussen beide versies heeft de Nederlandstalige versie steeds voorrang.