Home > Bestuurszaken > Veel gestelde vragen

Veel gestelde vragen

Is een door de overheid gesubsidieerde vzw bijgevolg onderworpen aan de bestuurstaalwetgeving?



In bepaalde gevallen kunnen vzw’s vallen onder de taalwetgeving inzake bestuurszaken. De taalwetgeving in bestuurszaken kan van toepassing zijn op “rechtspersonen die concessiehouder zijn van een openbare dienst of die belast zijn met een taak die de grenzen van een privaat bedrijf te buiten gaat en die de wet of de openbare machten hun hebben toevertrouwd in het belang van het algemeen” (artikel 1 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken). Met andere woorden, een private organisatie is onderworpen aan de taalwetgeving indien zij een opdracht vanwege de overheid uitoefent en indien deze opdracht een taak van algemeen belang is.



Het feit dat men als private organisatie subsidies ontvangt (zelfs al is dit het overgrote deel van de inkomsten), betekent nog niet dan men een opdracht uitvoert voor die overheid. Het ontvangen van subsidies is dus niet alles bepalend. Of de bestuurstaalwetgeving al dan niet van toepassing is, hangt af van de graad van betrokkenheid van de gemeente. Bepalend hierbij is of de gemeente (of een ander overheid) een toezicht uitoefent en bepaalde taken aan de vzw toebedeelt. Concreet: de vzw is onderworpen aan de taalwetgeving indien zij een opdracht vanwege de overheid uitoefent en indien deze opdracht een taak van algemeen belang is. De statuten van de vzw kunnen hier duidelijkheid scheppen.



Een aannemer voert verkeerswerken uit voor een gemeente. Is de aannemer bijgevolg gebonden door de Bestuurstaalwet, bijvoorbeeld bij de plaatsing van wegbewijzering?



Artikel 50 van de Bestuurstaalwet bepaalt: “De aanstelling, uit welken hoofde ook, van private medewerkers, opdrachthouders of deskundigen ontslaat de diensten niet van de toepassing van deze gecoördineerde wetten.” Dit betekent dat indien een gemeente beroep doet op een aannemer voor het uitvoeren van werken dat dan de bepalingen van de taalwetgeving moeten worden nageleefd, ook op het punt van de berichten en mededelingen voor het publiek. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt bij de gemeente. Indien de aannemer bijvoorbeeld tweetalige bewegwijzering plaatst in Hasselt, is het aan stad om de aannemer hierover aan te manen.



Een kustgemeente stelt een 3-talige parkeerretributie op. Mag dit?



Neen, dit mag niet. Immers, een parkeerretributieticket is een akte die door de betrokken gemeente wordt opgesteld. De gemeentes zijn onderworpen aan de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken.  Artikel 12 van de taalwet bestuurszaken schrijft voor dat de plaatselijke diensten gelegen in het homogeen Nederlands taalgebied in hun betrekkingen met particulieren het Nederlands gebruiken.



Artikel 58 van de taalwet bestuurszaken schrijft voor dat alle administratieve handelingen en verordeningen, die naar de vorm of de inhoud, strijdig zijn met deze gecoördineerde wetten, nietig zijn. Deze nietigheid moet vastgesteld of aangeklaagd worden. Hiervoor zijn het handelend bestuur zelf, de toezichthoudende overheid, de rechtbanken en hoven en de Raad van State bevoegd binnen hun domein.



De nietige parkeerretributie kan vervangen worden door een nieuwe, naar de vorm regelmatige, retributie. Het nieuwe document heeft dan gelding op de datum van de vervangen retributie.



De aankondigingen op de treinen naar het in homogeen Nederlandstalig gebied gelegen station ‘Brussel-Nationaal-Luchthaven’ gebeuren in meerdere talen.



Algemeen gesteld is het alleszins zo dat de treinlijnen van de NMBS, die in de meeste gevallen verschillende taalgebieden doorkruisen (bv. vertrekken in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad en aankomen in het Nederlandse taalgebied), onderworpen zijn aan een regime dat maximaal de taalregeling(en) van het gebied of de gebieden die de trein bedient, respecteert. Zo zal het NMBS-personeel op individueel niveau met een passagier minstens de talen spreken die worden gesproken in het gebied dat de trein doorkruist, in de meeste gevallen dus het Nederlands en/of Frans. Bij het omroepen van de trein wordt gelet op waar de trein zich op dat ogenblik bevindt. Bij het aankomen of vertrekken vanuit Leuven zal dus het Nederlands worden gebruikt. Bij het binnen- en buitenrijden van Brussel worden dan weer de twee talen gebruikt.



Wat het station Brussel-Nationaal-Luchthaven betreft, wordt toegestaan dat van deze regel wordt afgeweken en ten behoeve van toeristen de relevante aankondigingen van of naar dit station in minstens drie talen gedaan (Nederlands, Frans, Duits en bijvoorbeeld Engels). In de praktijk is het dus toegestaan dat aankondigingen van en naar dit station minstens in de drie landstalen wordt gedaan, waarbij de Nederlandstalige mededeling voorrang heeft.



Mag een gemeente informatie bedoeld voor toeristen in andere talen ter beschikking stellen?



In de bestuurstaalwetgeving (artikel 11, §3, van de Bestuurstaalwet) bestaat een uitdrukkelijke uitzondering om in de toeristische centra de mededelingen voor toeristen (=bezoekers van uw stad) in minimaal drie talen te stellen. Verplicht is dus Nederlands, Frans en Duits in deze volgorde te gebruiken. Naast deze drie landstalen, kan de overheid nog andere vertalingen toevoegen. Het is bovendien niet noodzakelijk dat er een meertalig document wordt gemaakt. Mogelijk is ook om aparte versies per taal te voorzien.



Let wel, deze mogelijkheid is aan twee vormvoorwaarden onderworpen: 1) (een deel van) de gemeente is reeds door de FOD Werk of Economie als toeristisch centrum erkend en 2) de gemeenteraad moet beslissing dat toeristische mededelingen kunnen en deze beslissing binnen acht dagen aan de Vaste Commissie voor Taaltoezicht voorleggen. De Vaste Commissie voor Taaltoezicht zal erop toezien dat deze voorwaarden effectief vervuld zijn, zo niet laat de VCT meertalige toeristische mededelingen niet toe. Er wordt dus vanaf december 2015 niet langer soepel omgegaan met artikel 11, §3 bestuurstaalwet.